GelaarsdeKat~Prenten




Het sprookje






De Gelaarsde Kat


Een molenaar lag op sterven, dus hij moest zijn bezit
onder zijn zonen verdelen. De eerste zoon kreeg al het
meel en de dieren. De tweede zoon kreeg de molen. Er was
niks voor de derde zoon, dus die kreeg de kat.
En die derde zoon maar klagen: "Wat moet ik met die domme kat?"
De twee oudste zoons gingen weg met hun spullen en waren
allebei rijk. De jongste zoon bleef achter met zijn kat.
De kat bleek te kunnen praten en zei: "Ik weet een trucje
om je rijk te maken." De zoon schrok zich dood, want hij
wist niet dat de kat kon praten. Hij had die kat al lang en
hij praatte nooit. De kat sprak: "Je moet in het bos een
konijntje vangen dat ik naar de koning kan brengen. Ik heb
laarzen nodig en een grote zak." Nou, de jongen vertrouwde
de kat en haalde met zijn laatste centen de spullen die hij
nodig had. Ze gingen samen naar het bos en vingen een konijntje.
De kat stopte het konijn in de zak en ging ermee naar de koning.
Iedereen schrok zich natuurlijk rot, omdat er een kat met
laarzen binnen kwam die kon praten. De kat vroeg naar de
koning en ze brachten hem naar de koning. De kat zei: "Ik
moet u van mijn dienaar dit geschenk brengen."
De koning was helemaal blij en vroeg: "Wie is uw dienaar dan?"
"Ja, dat kan ik u niet zeggen." Daarop ging de kat weer weg.
Hij ging weer naar de zoon en ze deden nog een keer precies
hetzelfde. Ze vingen een konijntje en de kat bracht die naar
de koning en zei: "Ik moest deze van mijn dienaar brengen."
De koning wilde dat de kat een rondje met hem ging rijden.
De kat vond dat goed en ze spraken een dag af. De kat ging
terug naar zijn dienaar en vertelde het hem.
De jongen moest van de kat gaan zwemmen in het bos. Hij wist
niet wat de kat van plan was. De kat kwam er langs en pakte
al zijn kleren en verstopte die. Toen ging hij op weg naar
de koning. Onderweg kwam hij langs drie landgoederen. Hij
zei tegen al die mensen dat dit land van de dienaar Hulst
was. Dat vonden de mensen goed.
Bij het volgende landgoed zei hij weer: "Jullie moeten zeggen
dat dit van de dienaar Hulst is." En ook bij het derde
landgoed liet hij de mensen zeggen dat het van de dienaar
Hulst was. Hij vroeg hen van wie het landgoed eigenlijk echt
was. Het was van een tovenaar. Nou, toen ging hij naar de
tovenaar toe. De kat zei tegen de tovenaar: "Ik heb gehoord
dat u zich in van alles kunt omtoveren." "Jazeker."
De tovenaar veranderde zich meteen in een tijger. "Ja," zegt
de kat: "dat kan ik ook. U kunt zich zeker niet veranderen
in iets kleins?" De tovenaar werd boos en veranderde zich
in een muis. De kat rende op de muis af en at hem op. De
tovenaar was dus dood. Toen ging de kat naar het paleis van
de koning toe. De koning en de kat gingen een rondje rijden.
Ze kwamen langs de drie landgoederen. Bij het eerste landgoed
vroeg de koning: "Van wie is dit mooie landschap?" Daarop
antwoordden alle mensen: "Van de dienaar Hulst." En de kat
zei: "Dat is mijn dienaar." Toen kwamen ze bij het volgende
stuk land. De koning vroeg weer: "Van wie is dit mooie landschap?"
En de mensen zeiden weer: "Van de dienaar Hulst." Bij het
derde landgoed vroeg de koning weer van wie het was en de
mensen zeiden weer: "Van de dienaar Hulst." "Hmm."
Toen reden ze verder en kwamen ze langs het watertje waar
de jongen - de dienaar Hulst - was gaan zwemmen. Ze kwamen
langs de dienaar en de kat had hem verteld dat hij keihard
moest gaan schreeuwen. De dienaar begon te schreeuwen.
De kat ging erop af en zei: "O, mijn beste dienaar, wat is
er aan de hand?" De dienaar speelde het spelletje mee en zei:
"Er kwam een dief en die stal mijn kleren." Toen moest een
van de knechten van de koning kleren gaan halen voor de jongen.
Eenmaal mooi aangekleed mocht de jongen mee in de koets.
Toen reden ze naar de paleis van de tovenaar en de kat zei:
"Dit is van mijn dienaar." De jongen dacht: Ik speel het
spelletje wel mee. De koning ging naar binnen en vond het
allemaal heel mooi. De maaltijd staat klaar en alles. Ja,
en de koning had een dochter. De koning vond het een goed
idee om meteen zijn dochter met de jongen te laten trouwen.
De jongen en het meisje trouwden meteen met elkaar, want ze
mochten elkaar gelijk. Ze trouwden in het grote paleis.



Een sprookje van Perrault.